VU

Onderzoeksrapport VU Amsterdam: “Een beetje corruptie bestaat niet”

Linda SchutAlgemeen, Corruptie, Feature, Nationaal, Onderzoeken, Publicaties

Amsterdam, 15 augustus 2017 – Afgelopen maand publiceerde de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) een onderzoeksrapport over omkoping van ambtenaren door het bedrijfsleven. Het onderzoek “Een beetje corrupt bestaat niet” is uitgevoerd door de afdeling Strafrecht en criminologie van de VU, onder leiding van Madelijne Gorsira. Zowel de Rijksrecherche als de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) hebben meegewerkt aan het onderzoek. De Rijksrecherche heeft het onderzoek bovendien gefinancierd.

Het onderzoek is gericht op het verkrijgen van inzicht in verklaringen voor de omkoping van ambtenaren door personen uit het bedrijfsleven. Het onderzoek ging daarbij in op verklaringen op verschillende niveau’s: van de verdachten zelf, de organisatie en de (al dan niet corrupte) relatie. De verklaringen werden gevonden in strafdossiers, beschikbaar gesteld door de FIOD en de Rijksrecherche. Het onderzoek leidde uiteindelijk tot een rapport waarin de schrijver ingaat op de gebruikte casussen, verklaringen op verschillende niveau’s en overige signalen en naar aanleiding van de conclusies, enkele aanbevelingen voor interventies doet.

De onderzoeksachtergrond van onderzoek VU

Dit rapport maakt onderdeel uit van een promotieonderzoek naar mogelijke oorzaken van corruptie, ook verricht door de afdeling Strafrecht en criminologie van de VU. Het onderzoek is gebaseerd op de analyse van strafdossiers, ter beschikking gesteld door de Rijksrecherche en de FIOD. Na een aantal selectieronden is het aantal zaken dat is onderworpen aan een analyse, teruggebracht tot zeven zaken en acht dossiers. Bij de selectie van de potentiële zaken werd gekeken naar de mate van waarschijnlijkheid dat de omkoping daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, de betrokkenen zelf (iemand uit het bedrijfsleven én een ambtenaar) en naar de plaats van de vermoedelijke omkoping; het moest gaan om gebeurtenissen op Nederlands grondgebied. De informatie die volgde uit de dossieranalyse werd aangevuld door het raadplegen van openbare bronnen en gerechtelijke uitspraken.

Teneinde de lezer concrete informatie te verschaffen over de geanalyseerde informatie, bevat het rapport van iedere zaak een casusbeschrijving en worden in zijn algemeenheid de betrokkenen en diens functie beschreven. Het gaat in de zeven geanalyseerde zaken om achttien ondernemers die een ambtenaar hebben omgekocht. Uit de onderzochte zaken bleek dat betrokkenen over het algemeen mannen zijn van middelbare leeftijd (tussen de 40-65 jaar). De ambtenaren onderhouden een warme relatie met het bedrijfsleven en worden niet getypeerd als de gemiddelde ambtenaar. Zij worden omschreven als proactieve mannen die hun bevoegdheden tot aan de grenzen gebruiken en zich bezighouden met zaken die voor ondernemers van belang zijn. Signalen over de (vermoedelijke) omkoping in de onderzochte casus kwamen in alle gevallen vanuit een externe bron. Bovendien geldt voor alle ambtenaren dat er reeds vóór de onderzochte casussen, signalen bestonden over integriteitsschendingen en omkoping. Eén van de ambtenaren was reeds veroordeeld ter zake van omkoping.

Conclusies en resultaten

De in het rapport gepresenteerde conclusies omtrent de verklaringen voor de omkoping, zijn verdeeld over verschillende niveau’s. Op het niveau van de persoon wordt onder andere vastgesteld dat de betrokkenen zich niet bewust lijken te zijn van de ernst en laakbaarheid van hun gedrag en de gevolgen daarvan. Zo verklaarde een van de ambtenaren: “Ik heb de integriteit van de <naam dienst> niet in gevaar gebracht”. Deze laatste constatering wordt ondersteund door waarnemingen van de rechtbank. Bovendien wordt geconcludeerd dat zowel de ambtenaren als de ondernemers tevens niet-integer gedrag vertonen op andere gebieden en dat in een aantal zaken wordt gesuggereerd dat het voor de ambtenaren erg gemakkelijk was om zich schuldig te maken aan passieve omkoping. Daarnaast zou het verkregen voordeel voor de ambtenaren niet in verhouding staan tot dat van de ondernemers en genieten de ambtenaren bovendien ook minder tastbare voordelen. Dit zou bestaan uit een goede relatie en waardering van ondernemers.

Op organisatieniveau wordt geconcludeerd dat weliswaar in alle betrokken organisaties integriteitswaarborgen aanwezig zijn, maar dat niet iedere relevante preventieve maatregel tegen omkoping is genomen. Een directeur van een BV zegt hier het volgende over: “Ik begrijp dat u van mij alle regelgeving, procedures, en integriteitsbeleid voor wat betreft <naam BV> wenst te ontvangen. Afgezien van de procuratieregeling staat er verder – denk ik – niets op papier”. Bovendien zouden signalen van mogelijke corrupte ambtenaren niet goed worden opgepakt door hun leidinggevenden.

Tot slot beschrijft het rapport enkele verklaringen op het niveau van interactie tussen de ambtenaar en ondernemer. Zo zou het contact tussen de partijen meestal langdurig zijn en ontwikkeld vanuit een zakelijke relatie tot een gedeeltelijke privé relatie. Uit onderzochte afgeluisterde tapgesprekken zou naar voren komen dat de partijen elkaar aanspreken met “vriend” of “maatje”. Daarnaast zou het precieze startpunt van de corrupte relatie lastig aan te wijzen zijn en is het niet altijd duidelijk wie de eerste initiator is. Een ambtenaar verklaarde over een ondernemer dat “hij vroeg of ik langs wilde komen op kantoor. Ik ging daar gewoon een bakkie doen. Ik ben daarna wel vaker een bakkie gaan doen”.

Een kritische noot

Voornoemde verklaringen zijn slechts een greep uit de selectie van mogelijke beweegredenen die in het rapport worden benoemd. Zoals blijkt en wellicht ook te verwachten is bij een handeling als omkoping, zijn alle verklaringen sterk verweven met de feiten. Immers, een (feitelijke) context geeft een bepaalde lading aan een gedraging en een relatie tussen twee personen. Het is derhalve de vraag of een onderzoek naar verklaringen voor corruptie wel gestoeld kan worden op de analyse van slechts zeven zaken (en acht dossiers) met een eigen feitenrelaas. De auteur geeft zelf in het rapport aan dat het weliswaar een gering aantal is, maar dat er wel degelijk concrete patronen naar voren komen.

Daarnaast is van belang dat men zich realiseert dat er slechts is gekeken naar (bij het publiek bekende) omkopingszaken die afkomstig zijn van de Rijksrecherche en de FIOD. Het is aldus mogelijk dat bij de eerste selectie van de aangeboden zaken een zekere kleur is gegeven aan het verdere onderzoek. Desalniettemin snijdt het onderzoek een zeer interessant en nuttig onderwerp aan. Immers, kennis over de motieven en beweegredenen tot omkoping kan worden aangewend om corruptie te bestrijden. Aangezien dit onderzoeksrapport slechts een onderdeel is van een promotieonderzoek van de VU, ligt het in de lijn der verwachting om op (korte) termijn meer te vernemen over dit onderzoek.